
Mozes in het biezen mandje

Moyses van Wtenbrouck
ca. 1625 – ca. 1627
Het volk Israël begon met het gezin van aartsvader Abraham. Zijn achterkleinzoon Jozef werd als slaaf naar Egypte gevoerd, en kreeg daar uiteindelijk een hoge rang in het hof van de farao. Toen in Palestina een hongersnood uitbrak, liet hij zijn familie naar Egypte komen. Een familie van misschien honderd man, groeide daar in vierhonderd jaar uit tot enkele honderdduizenden mensen. De eerste families waren nomaden, herders die rondtrokken door het gebied Gosen. Maar toen het volk toenam werd het groter en machtiger. Op een zeker moment was er een farao die als doel stelde om het aantal Israëlieten af te laten nemen. Hij dwong hen om voor de overheid te gaan werken. De Israëlieten moesten de steden Pitom en Raämses bouwen en werden daarbij als slaven behandeld. Maar ondanks dat harde bestaan, werden er toch meer kinderen geboren dan dat er mensen overleden. Het volk bleef groeien en de haat van de Egyptenaars werd groter.
Op een dag liet de farao twee Israëlitische verloskundigen bij zich komen , Sifra en Pua. Zij kregen de opdracht om pasgeboren jongetjes te doden. Maar de verloskundigen waren dat niet van plan. Ze verzonnen een smoes en zeiden dat de meeste jongetjes al geboren worden voordat zij bij de barende Israëlische vrouwen binnen zijn. Toen gaf de farao zijn eigen volk de opdracht om pasgeboren jongetjes van de Israëlieten in de Nijl te gooien.
Toen werd er een prachtig jongetje geboren. Zij ouders verstopten hem eerst drie maanden in huis, maar toen dat niet meer ging maakten ze een waterdichte rieten mand en legden het kind erin. Daarna zetten ze de mand in de rivier de Nijl, tussen het riet. De zus van het jongetje bleef in de buurt om te zien wat er verder zou gebeuren. Even later kwam de dochter van de farao naar de Nijl. Ze ging een bad nemen in de rivier, terwijl haar slavinnen langs de kant heen en weer liepen. Opeens zag ze de mand tussen het riet. Ze liet hem halen door een slavin, en zag het kind. Het jongetje huilde, en de dochter van de farao kreeg medelijden. ‘Ach’ zei ze, ‘het is een Israëlitisch jongetje.’ De zus van het jongetje kwam tevoorschijn en bood aan om een vrouw te zoeken om het jongetje te zogen. Ze haalde vervolgens haar moeder, die zo haar kind nog enige tijd bij zich kon houden. Toen hij groot genoeg was, bracht de moeder de jongen naar de dochter van de farao, die hem adopteerde en de naam Mozes gaf. ‘Want’ zei ze, ‘ik heb hem uit het water gehaald.’ Hier lees je het complete levensverhaal van Mozes.
Wtenbrouck laat duidelijk zien dat het Bijbelverhaal zich in Egypte afspeelt: op de voorgrond is een beeld van een sfinx met hondenkop te zien, op de achtergrond een begroeide obelisk.
Het verhaal van de geboorte van Mozes lees je hier in de Bijbel:
