
David was de tweede koning van het volk Israël en de opvolger van koning Saul. Hij was als jongen al door de profeet Samuël tot koning gezalfd toen hij nog bij zijn ouders en zeven broers in Betlehem woonde. God zelf had Samuël bevel gegeven om in het geheim de jonge David als toekomstige koning te zalven, omdat koning Saul niet gehoorzaam was aan God.
David en Saul
David was een knappe jongen, met rood haar en mooie ogen. Hij was slim en sterk én hij kon goed harp spelen. Vanwege die laatste reden kwam hij bij koning Saul in dienst. Saul had veel last van angsten, en als David muziek maakte op zijn harp, werd hij rustiger.
Maar David deed meer voor Saul. Hij doodde ook de reus Goliath, die soldaat was bij de Filistijnen, een volk waarmee Israël in oorlog was en vervolgens werd hij de leider van het leger van Saul. David was erg populair bij het volk, en koning Saul werd zo jaloers dat hij verschillende keren probeerde om David te doden. David moest vluchten voor zijn eigen koning, en dwaalde jaren rond in de woestijn en grensgebieden van Israël.
Een machtig koning
Nadat Saul was gedood in een van de veldslagen met de Filistijnen, werden zowel Isboset – de zoon van Saul – als David tot koning uitgeroepen. Zeven jaar lang regeerden ze beiden over een deel van Israël, maar na Isbosets dood werd David tot koning van heel Israël uitgeroepen. Hij veroverde Jeruzalem, en versloeg veel volken waardoor het gebied van Israël steeds groter werd. David werd steeds machtiger, maar kende ook tegenslag en verdriet. Soms was hij daar ook zelf de veroorzaker van.
Geen rozengeur en maneschijn
Zo sliep David met Batseba, de vrouw van een andere man die ver weg voor David aan het vechten was. Toen Batseba daarna zwanger bleek, liet hij haar man bewust sneuvelen op het slagveld. Als straf overleed de baby die zij samen kregen.
David had verschillende vrouwen, die ieder zonen met hem kregen. En die zonen vochten met elkaar én een van de jongens probeerde zelfs zijn eigen vader van de troon te stoten. Onder Davids bewind kwam er een ernstige hongersnood en een pestepidemie die 70.000 mensen doodde. Toch stond er aan het einde van zijn leven een groot, solide en welvarend rijk. David leefde dicht bij God, en uitte zijn geloof, en hoop, maar ook zijn verdriet en berouw in vele liederen. Deze zijn samen met liedteksten van andere dichters opgenomen in het bijbelboek ‘Psalmen’. Veel van deze liederen worden nog altijd in de kerk gezongen.
David wees zelf zijn zoon Salomo aan als zijn opvolger. Toen hij stierf, was hij veertig jaar koning van Israël geweest.
Het levensverhaal van David is in de Bijbel over 3 bijbelboeken verdeeld. In chronologische volgorde lees je alles over zijn leven hier:
De liederen die David schreef vind je in dit bijbelboek:
Aanvullende verhalen:

Het toilet van Batseba
Cornelis Cornelisz. van Haarlem
1594

Koning David en de wapenrusting
Adriaan Gerritsz. de Vrije
1595-1596
