
De bijbelboeken zijn in de loop van meer dan 1000 jaar geschreven door verschillende mensen. Sommige boeken zijn geschiedenisverhalen, andere boeken bevatten liederen of spreuken en er zijn in de Bijbel ook een groot aantal brieven opgenomen.
Tijdens een kerkelijke vergadering aan het einde van vierde eeuw is vastgesteld welke boeken bij de Bijbel horen. Daarbij werd voor het Oude Testament (boeken uit de tijd voor Jezus) uitgegaan van een reeds bestaande verzameling boeken die samen het heilige boek van de Joden vormen: de Tora. Voor het Nieuwe Testament (vanaf Jezus) werden boeken gekozen die al sinds hun ontstaan gezag hadden onder christenen en veel in de samenkomsten gebruikt werden.
De Rooms-Katholieke Kerk erkent naast de basisverzameling van 66 boeken ook nog andere boeken uit de tijd van het Oude Testament als gezaghebbend. Deze boeken worden apocriefe boeken genoemd en zijn in sommige bijbeluitgaven opgenomen.
Het Oude Testament en de eerste versies van de boeken van het Nieuwe Testament waren eerst beschikbaar in het Grieks. Aan het einde van de vierde eeuw kwam er een veelgebruikte Latijnse vertaling. In de middeleeuwen werd de Bijbel in steeds meer volkstalen vertaald. Zo verscheen er een eerste (incomplete) Nederlandse Bijbel in 1477.
Vanaf de zestiende eeuw werden in veel landen, waaronder in Engeland en Duitsland, betrouwbare bijbelvertalingen gemaakt die nog steeds gebruikt worden. Dat geldt ook voor de Nederlandse Statenvertaling uit 1618. Om de Bijbel goed leesbaar te houden in een volkstaal die steeds verandert, zijn er in ons land daarna nog verschillende nieuwe vertalingen gemaakt. De meest recente veel gebruikte vertaling is de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2021.
De Bijbel is geheel of gedeeltelijk beschikbaar in circa 3500 talen. Wereldwijd houden verschillende organisaties en honderden mensen zich dagelijks bezig om binnen enkele tientallen jaren de Bijbel voor iedereen in eigen taal beschikbaar te hebben.
