
De doop van de kamerling

Jacob de Wit
1748
Filippus leefde in de tijd vlak ná Jezus, ca 35 n.C. Na de dood van Jezus ging hij naar de stad Samaria. Hij vertelde daar niet alleen over Jezus, maar deed veel wonderen en genas mensen.
Op een dag zei een engel van de Heer tegen Filippus: “Je moet op reis gaan. Ga naar de weg die van Jeruzalem naar de stad Gaza loopt. Zorg dat je daar midden op de dag bent.” Filippus deed wat de engel zei. De weg was verlaten, maar opeens kwam er iemand aan. Het was een man uit Ethiopië, een belangrijke ambtenaar van de koningin van dat land. Hij was het hoofd van de koninklijke schatkamers. De man was in Jeruzalem geweest om de God van Israël te eren. En nu was op hij op terugweg naar Ethiopië. Hij zat in zijn reiswagen te lezen in het boek van de profeet Jesaja.
God zei tegen Filippus: “Ga naar die man in de koets toe.” Filippus liep er snel heen. Hij hoorde de man hardop lezen en vroeg: “Begrijpt u wat u leest?” “Nee,” antwoorde de man, “Want niemand legt het mij uit.” Toen vroeg hij of Filippus bij hem in de wagen wilde komen zitten. Hij las aan Filippus een gedeelte uit Jesaja voor over een lam dat eerst geslacht , maar vervolgens door God gered werd. De man vroeg aan Filippus of hij wist over wie dat ging. Toen vertelde Filippus hem dat het over Jezus ging. En hij legde hem de tekst uit. Zo vertelde hij hem het goede nieuws over Jezus’ dood en opstanding.
Al rijdende kwamen ze bij een plaats waar water was. De man zei tegen Filippus: “Kijk, ik zie daar water. Mag ik gedoopt worden?” Ze gingen samen het water in en daar doopte Filippus de man. De man uit Ethiopië reisde verder, blij en gelukkig.
Hier lees je in de bijbel over de doop van de Kamerling:
