
Op Hemelvaartsdag vieren christenen de opname van Jezus in hemel.
In de weken na zijn opstanding uit de dood (zie het feest Pasen), verscheen Jezus een aantal keer aan zijn volgelingen. Hij vertelde hen dat in de heilige boeken (het Oude Testament) al voorzegd was dat de redder van de wereld zou lijden en sterven, en drie dagen later zou opstaan uit de dood. Hij legde hen uit wat het nut van zijn dood en opstanding was (zie zonde en vergeving). En Jezus vertelde zijn volgelingen dat ze de blijde boodschap van zijn opstanding aan alle volken op de wereld moesten vertellen.
Veertig dagen na zijn opstanding nam Jezus zijn leerlingen mee de stad Jeruzalem uit, tot bij het dorp Betanië. Jezus vertelde dat Hij nu definitief van hen wegging, maar dat zij in ruil daarvoor zijn heilige Geest zouden ontvangen. Hij beloofde dat zijn Geest altijd bij zijn volgelingen zou blijven, totdat de nieuwe wereld komt. Jezus zegende zijn discipelen, en terwijl Hij dat deed, ging Hij weg; God haalde hem naar de hemel, naar een dimensie die voor ons op aarde niet te ervaren is. De discipelen gingen terug naar Jeruzalem. Daar ontvingen zij tien dagen later op spectaculaire wijze de beloofde heilige Geest (zie het feest Pinksteren).
De christelijke kerk viert al sinds de 4e eeuw Hemelvaartsdag op de 40e dag na Pasen. De datum van Pasen is afhankelijk van de maankalender (zie Pasen) en ook Hemelvaartsdag kent dus geen vaste datum. De vroegst mogelijke datum voor Hemelvaart is daarom 30 april, de laatst mogelijke 3 juni. Omdat Eerste Paasdag altijd op een zondag valt, is Hemelvaartsdag altijd een donderdag.
